Opening en inleiding door Jaap Bremer

Ik heb mij graag bereid verklaard hier iets te zeggen over het werk van Ulrich Rückriem, omdat ik zijn werk zeer bewonder. Je kunt je echter afvragen of het werk van Ulrich Rückriem überhaupt wel enige toelichting nodig heeft. Als het werk van één hedendaagse Europese beeldhouwer namelijk helder is en voor zich zelf spreekt dan is het wel dat van Rückriem.
Rückriem is op drie punten een meester: de selectie van de steen uit de groeve, de verdeling van de steen en het weer samenvoegen ervan én de keuze van de perfecte plaats voor het beeld. Zijn grootste kracht bestaat echter daaruit dat hij de steen zélf laat spreken!
Wat zou ik hier dan nog aan moeten toevoegen?
Men kan immers zélf met eigen ogen zien aan de sporen, die de ingrepen in de ruwe steen hebben achtergelaten, hoe het beeld is gedacht en gemaakt.
Je hoeft het beeld niet eens zorgvuldig te bekijken om onmiddellijk de gaten te zien, die de steenboor bij het splijten van de steen heeft veroorzaakt. Je ziet direct de horizontale of verticale rij ronde openingen en vervolgens de zaagsneden die zich als fijne, dunne lijnen in de steen aftekenen.
Deze uiterst eenvoudige ingrepen getuigen van de handelingen van de beeldhouwer, die de enorme ruwe blokken steen éérst heeft gedeeld en vervolgens weer met grote precisie heeft samengebracht tot hun oorspronkelijke geheel.
Dit is in een nutshell het verhaal dat elk beeld van Ulrich Rückriem vertelt.

Je ervaart als beschouwer aan den lijve hoe simpel en tegelijkertijd, qua uitvoering, hoe gecompliceerd het beeld zich heeft ontwikkeld tot het zijn uiteindelijke vorm heeft bereikt, óf zoals de Duitse kunstcriticus Laszlo Glozer het kernachtig formuleerde: ‘De weg, die de steen aflegt van de groeve tot aan de tentoonstelling is met het blote oog te reconstrueren’.
Valt er, als je wordt geconfronteerd met zo’n verbazingwekkend helder concept en zo’n nauwkeurige uitvoering, nog méér te zeggen?
Ik denk van wel, als je beseft hoe ongelooflijk radicaal zijn beeldhouwkunst is ten opzichte van de beeldhouwkunst uit de eeuwen daarvoor.
Rückriem gaat uit van de steen zelf en niet van de voorstelling. Hij beschouwt de steen niet meer zoals Michelangelo dit deed, als een ruw brok marmer, waarin hij als in een visioen een figuur zag, die alleen maar uit de steen bevrijd moest worden. Vóór en ná Michelangelo schiepen beeldhouwers uit de steen iets anders: een vorst, een heilige of een naakte Venus, beelden, die de suggestie moesten wekken van een brokaten mantel of een sierlijk vrouwenlichaam, maar in ieder geval niet die van steen.
Rückriem echter concentreert zich juist op het materiaal! Het enige en meest belangrijke thema in het werk van Rückriem is de steen zelf: het graniet, het dolomiet, het arduin of de kalkzandsteen.
Hij is door en door vertrouwd met de kwaliteiten van de verschillende soorten steen, met hun geologische ontstaansgeschiedenis, met hun eigenschappen en met de manier, waarop zij reageren op menselijke ingrepen.
Hij houdt van de steen en wijst vol bewondering op de majestueuze vorm, de fascinerende structuren en de genuanceerde kleurschakeringen op de huid van de steen.
Maar toch doet hij méér dan aandacht vragen voor de enorme presentie van de steen, want tegelijkertijd onderwerpt hij de steen aan zijn opvattingen over ordening, als één van de basisprincipes in de beeldende kunst van de 20ste eeuw.
Rückriem brengt, zoals gezegd, in de steen zeer rudimentaire verdelingen aan. Zoals bijvoorbeeld het geval is bij het beeld bij de uitgang of zo u wilt toegang van de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum uit 1988.
Hij liet hiervoor in de groeve in Anröchte een gigantisch rechthoekig blok graniet vrijmaken, een ‘Rohling’, zoals de Duitsers zo mooi zeggen, van bijna 5 meter hoog, 3,5 meter breed en 60 centimeter dik.
Dit blok verdeelde hij in tweeën en vervolgens spleet en zaagde hij deze twee helften ieder weer in vier delen. Alle delen werden na het splijten en zagen weer zeer zorgvuldig samengevoegd, behalve de twee grootste, de eerst ontstane helften. Deze werden aan weerszijden van het toegangspad geplaatst.
Ieder van deze hoogoprijzende stenen bestaat uit een horizontaal deel, dat als voetstuk fungeert, twee verticale delen, die weer door een horizontaal deel worden afgesloten. Omdat het pad tussen de twee gigantisch grote brokken natuursteen doorloopt, komt dit beeld bij menigeen over als een poort. Dit is echter maar een deel van het concept. Want wat velen niet beseffen is dat hier, maar ook in andere werken, de beide helften samengevoegd – óók weer het oorspronkelijke geheel vormen.
Wanneer je tussen beide zuilen instaat, wordt je niet alleen door de beide delen omsloten, maar krijg je ook de gewaarwording dat je in de steen wordt opgenomen. De kracht en het karakter van deze oersteen zorgen er voor dat de fysieke scheiding van de steen bijna ongedaan gemaakt wordt.
Door deze analyse van één werk van Rückriem benaderen we eigenlijk als vanzelf de kern van zijn oeuvre. In wezen is Ulrich Rückriem een klassiek beeldhouwer, die zich niet theoretisch, maar al werkend door middel van splijten, zagen, schuren, polijsten – bezig houdt met het eeuwenoude thema van de relatie tussen cultuur en natuur.
Om dit thema enig reliëf te geven wil ik graag een zeer bijzondere uitspraak aanhalen van een andere fenomenale kunstenaar, géén beeldhouwer, maar een schilder die een eeuw eerder leefde dan Rückriem: Vincent van Gogh.
Vanuit de Borinage schrijft hij aan zijn broer Theo in 1879, nog vóór hij besloot kunstenaar te worden, wát voor hem kunst is.
Van Gogh: ‘Ik ken geen betere definitie voor het woord ‘kunst’ dan deze, ‘L’art c’est I’homme ajouté à la nature’, (Kunst is de mens toegevoegd aan de natuur) de natuur, de werkelijkheid, de waarheid, doch met een betekenis, een opvatting, met een karakter die de artiest erin doet uitkomen, … (de natuur) waaraan hij uitdrukking geeft, qu’il dégage, die hij ontwart, vrijmaakt, verheldert.
Een schilderij van Mauve of Maris, – zo gaat van Gogh verder – spreekt meer en duidelijker dan de natuur zelve’ (brief 151).

Een definitie van kunst die mijns inziens naadloos aansluit op het ouevre van Rückriem. Het werk van Rückriem is bij uitstek een voorbeeld van het gevecht dat de mens – in dit geval de kunstenaar voert mét en vanuit de natuur om zo iets van waarde te creëren, iets dat er niet was.
Dit niet – en zeker niet in het geval van Rückriem – om de natuur de baas te worden, te domineren, maar vooral om deze te respecteren en samen mét de natuur een eigentijdse vorm van schoonheid te presenteren. Steeds is er in het werk van Rückriem een spanning voelbaar tussen het in miljoenen jaren ontstane materiaal en het bedachte, het rationele, tussen het onberekenbare, het toeval en het geplande. Ook deze tegenpolen zijn in wezen terug te voeren tot de tegenstelling tussen natuur en cultuur.
Rückriem slaagt er mijns inziens op een indrukwekkende wijze in, net zoals grote voorgangers als Arp, Moore, Hepworth, Chillida om tegenover de zwijgende presentie en oerkracht van de natuur een eigen uitspraak te stellen. Het is, zoals ook bij de 7 stèles, die wij straks gaan zien, de ongelooflijke eenvoud, die grote indruk maakt en herinneringen oproept aan de uitstraling van Romaanse kerken of de Dolmens in Bretagne.
Hoewel hij daar zelf geen nadruk oplegt, nodigt zijn werk onmiskenbaar uit tot een beschouwing van de werkelijkheid. Zijn beelden bieden niet alleen een ervaring van bijzondere schoonheid, maar geven ook aanleiding tot velerlei vormen van reflectie en comtemplatie, die in de huidige vluchtige wereld van consumptie en technologie nog nauwelijks kans krijgen.
Dit brengt mij tenslotte op de vraag naar de relevantie en de plaats van zijn werk in onze tijd, de eerste jaren van de 21ste eeuw. Er is maar een beperkt aantal grote kunstenaars, die het gezicht van de kunst van de tweede helft van de vorige eeuw heeft bepaald.
Sommigen hebben deze 21ste eeuw helaas niet of nauwelijks mogen meemaken, zoals bijvoorbeeld Joseph Beuys, Donald Judd en Mario Merz. De meeste zijn echter gelukkig nog steeds zeer actief en zijn hun principes onverminderd trouw gebleven, zoals Rückriem. Je zou je kunnen afvragen, hebben deze kunstenaars die in de vorige eeuw de toon zetten nu in déze eeuw nog steeds een boodschap voor ons of zijn zij inmiddels overspoeld of weggevaagd door de kunst van nu, door bijvoorbeeld:

– de computerkunst;
– de sociaal geëngageerde kunst;
– de video- en filmkunst;
– de nog steeds sterk aanwezige fotokunst;
– de vele vormen van installatie-kunst
– de weer duidelijk opkomende figuratieve of halffiguratieve schilderkunst
of
– de hedendaagse sculptuur, die met alle mogelijke middelen een beeld tracht te geven van onze tijd.

Hebben al deze explosies van eigentijdse energieën en ontwikkelingen in de beeldende kunst de sculptuur van bijvoorbeeld Rückriem minder relevant gemaakt?
Ik geloof absoluut van niet!
Ik ben er van overtuigd dat een belangrijk aantal kunstenaars, die groot geworden zijn in de tweede helft van de vorige eeuw ons nog steeds iets te zeggen heeft.
Zij hebben kunst gemaakt, die zich volledig richtte op het autonome kunstobject, op het concept, op de schoonheid van het formele en dientengevolge veel minder zichtbaar op de mens en de samenleving. Ik denk aan kunstenaars als Carl Andre, Robert Ryman, Blinky Palermo, Richard Serra, Jan Dibbets, Richard Long, Stanley Brouwn, die zeer verwant zijn aan Rückriem, maar ook aan nauwelijks verwante beeldhouwers als Giuseppe Penone, Luciano Fabro of Carel Visser.
Zij hebben op hun eigen wijze door middel van hun werk uiterst waardevolle, onvergetelijke en prachtige uitspraken gedaan over hun opvatting en beleving van de werkelijkheid.
Dit zijn en blijven exemplarische kunstenaars, die ook voor onze tijd en de komende generaties onmisbaar zijn.
Het staat voor mij vast dat Ulrich Rückriem één van hen is. Zijn werk zal blijvend een appel doen op het bewustzijn en de verbeeldingskracht van ons en velen na ons.

Jaap Bremer

Sponsoren en participanten

ontdek